Even terug in de tijd
Enkele weken geleden was ik voor een tweede maal in Nawuhugu, het afgelegen dorp waar ik bij de verloskundige mocht verblijven. Daar schreef ik onderstaande. Het schetst wellicht een troosteloos beeld, maar dat is niet mijn bedoeling. Ik realiseer me dat ik met mijn bril naar deze andere wereld kijk, dat ik te gast ben in het voor mij onbekende - maar voor hen zo alledaagse. Ik hoop dat het je lukt om door de juiste bril te lezen. Om zonder oordeel te kijken en samen met mij te beseffen dat we - al voelen we ons soms heel wat - maar kleine mensen zijn in een wereld die onze pet te boven gaat.
Momenteel ben ik langzaam terug aan het reizen naar Nederland. Over die omschakeling hoop ik vandaag of morgen ook nog iets te delen. Maar nu eerst dit.
“Wat voel ik me klein”
Klein als ik de mensen voorbij zie gaan op afgedragen slippers, afgetrapte fietsen, rammelende motoren. Dag in dag uit, jaar in jaar uit gaan zij van huis naar akker naar markt naar huis. De eenvoud van het leven met weinig voorzieningen en tegelijkertijd de totale afhankelijkheid van - van wie of wat eigenlijk? Van Nawoeni (God), van regen en wind. En zij, de vrouwen, van hun man. En zij, de kinderen, van hun vermogen om te overleven. Met dat aanzicht voel ik me klein.
Klein als ik hoor en zie over de hardheid van het jonge leven. Hoe kinderen zichzelf grootbrengen, zichzelf naar bed brengen (lees: te pas en te onpas van vermoeidheid in slaap vallen), hun vader soms hun naam niet kent. Hoe hun leven weinig waard is zolang hun moeder nog kan baren. ‘Since the pot is there, you can still fetch new water when you spoil some’ heb ik vandaag geleerd. ‘Only when the pot breaks, all hope is lost’. De kinderen zorgen voor zichzelf en als dat een leven kost, dan kost dat een leven. Bij weinig investering ook weinig verlies. Daar waar wij geen pannen kokend water op de grond zetten, stopt hier een kind z’n beide handen er tot z’n ellebogen in waarbij het in z’n gezicht splasht. ‘Ik had het hem gezegd’, en morgen staat de pan er weer. Als ik naar de kinderen en naar de (brand)wonden kijk, dan voel ik me klein.
Klein als de wereld hier, zonder fatsoenlijk telefoonbereik en met minimaal internet. Anderen zonder telefoon. De kinderen zonder school, letters en boeken. Elke zes dagen marktdag, elke dag naar de moskee of elke zondag naar de kerk. Een paar maanden regen, hard werken en sparen. Dan een paar maanden droogte en overleven tot de regen komt. Dat is het ritme waarin de wereld hier draait en draait. Geen grote stad, geen supermarkt, geen auto. Geen onderwijs, geen spaargeld, geen mogelijkheden, geen perspectief.
Maar dat is mijn bril. Want na drie dagen weinig patiënten en veel vrije tijd, mis ik mijn wereld. Een wereld waarin ik uitdagingen zoek, leer, lees, vermaak. Een wereld waarin ik moeilijk rust vind, meer wil, beter, lekkerder. Een wereld waarin ik zekerheid zoek in geld, vrienden en bezit; een wereld van angst om afhankelijk te zijn van wat of wie dan ook. En juist daarom voel ik me in deze omgekeerde wereld zo klein.
Klein als medicijnen niet voor handen zijn, als transportkosten mensen belemmeren om naar een ziekenhuis te gaan. Klein als de insulten al uren doorgaan terwijl de familie overlegt of ze bij gebrek aan zorgverzekering het ziekenhuisbed kunnen betalen, waarna de oude man uiteindelijk met dippende saturatie en onaanspreekbaar in een motordriewieler wordt gehesen; ik denk - en diep van binnen hoop ik - dat hij de morgen niet haalt. Als ik aan die mensen denk, dan voel ik me klein.
Klein bij de sterke wortels onder deze grote oude boom, mijn rug tegen haar ruwe bast. Een van de vele. Zij kent de seizoenen, kent tijden van overvloed en van schaarste, weet hoe de dagen - maanden - jaren voorbij gaan. Zij kent het opgaan van de zon, het indalende duister. Zij ziet de mensen komen en weer gaan. Zij voelt de kleine kindervoetjes als zij haar beklimmen, wegglippen, gehuil. En tegen die dikke stam aan onder de grote sterrenhemel voel ik me klein.
En dat is het leven waar ik nu zomaar instap, dat zich niets aantrekt van mijn aanwezigheid, dat zich jaar in jaar uit herhaalt, ook als ik weer vertrek. Met dat besef voel ik me ontzettend klein en dank ik mijn Grote God voor zijn goedheid en zijn liefde die boven al deze menselijke grenzen en verschillen uitstijgt. Hij die mij kent en liefheeft, kent ook het lijden en leven van al deze mensen, stuk voor stuk, en wil ook hen overladen met Zijn liefde. Wat kan ik dan anders dan klein en dankbaar zijn…
